Standaarden die onder voorwaarden kunnen worden gebruikt

Ga-aangeraden-uit.png
Aangeraden
Ga-ontraden-uit.png
Ontraden
Ga-voorwaarden.png
Onder
voorwaarden
Ga-onbekend-uit.png
Onbekend

Bij het gebruik van de volgende standaarden dient rekening te worden gehouden met de in het gebruiksadvies genoemde voorwaarden en/of opmerkingen:

StandaardToelichting gebruiksadvies
CERIFUit het SURF Open Access programma komt binnenkort een advies welke vorm van CERIF wordt gekozen.
Caliper AnalyticsXAPI en Caliper gaan momenteel redelijk gelijk op als mogelijke standaard voor learning analytics. Leveranciers maken nu vaak de keuze, waardoor het risico bestaat dat er uiteindelijk twee concurrerende standaarden naast elkaar bestaan in het ho-landschap.
DAIDe DAI wordt alleen in Nederland gebruikt en onderzoek is uiteraard een internationale aangelegenheid. In het Open Access innovatieproject stimuleert SURFmarket de implementatie van de auteursidentifier ORCID met een pilot project. (https://www.surf.nl/innovatieprojecten/open-access/identifiers-ten-behoeve-van-registratie-van-onderzoek.html)
EPUBEr wordt nog veel gebruik gemaakt van EPUB versie 2, hoewel deze formeel verouderd is en niet meer actief onderhouden wordt. De mogelijkheden van EPUB3, de opvolger van EPUB2, richten zich vooral op multimediaal en interactief gebied. Zo is het met de standaard mogelijk om een video te integreren (embedden) in een publicatie. Op dit moment ondersteunen echter nog niet alle e-readers de standaard.
HTTPS en HSTSInvulling van HSTS header door applicatie- of netwerkcomponenten (bijvoorbeeld load balancers) stuit nogal eens op ongewenste werking (meerdere HSTS headers voor 1 toepassing).
IEEE LOMGebruik waar mogelijk het Nederlandse toepassingsprofiel NL LOM. Daarmee past u IEEE LOM indirect toe, toegespitst op de Nederlandse onderwijscontext. In internationale context is IEEE LOM een juiste keuze.
IMS LTIOp een aantal plaatsen wordt IMS LTI onderzocht of gebruikt als alternatief voor IMS QTI.

Bij de keuze van tools is het met name relevant welke functionaliteit beschikbaar moet komen via LTI. Voor een koppeling met een toetsomgeving heeft LTI 1.1 (of 2.0) de voorkeur boven LTI 1.0, omdat dan cijfers of (bij versie 2.0) uitgebreidere informatie via de LTI-koppeling uitgewisseld kan worden. Voor een koppeling met WordPress, zoals in het voorbeeld dat eerder beschreven werd, is een LTI 1.0-koppeling voldoende.

Conformiteit met de standaard is een aandachtspunt. Leveranciers hanteren soms een eigen interpretatie van wat wel of niet conform LTI is. De IMS conformance list toont voor alle IMS-standaarden welke producten de standaard bewezen geïmplementeerd hebben.
IMS QTIQTI 2.1 is een uitgebreide leertechnologie-afspraak. Daarom is het voor leveranciers lastig om de heled afspraak te implementeren. Op dit moment is de belangrijkste beperking van de QTI-afspraak daarom de beperkte ondersteuning door systemen en applicaties. Binnen Edustandaard, een initiatief van SURF en Kennisnet, is een afspraak Uitwisselformaat Toetsmateriaal (NLQTI) opgesteld met als doel om, via het beperken van de toegestane opties en vrijheidsgraden, een eenvoudigere implementatie van QTI mogelijk te maken.
ISNIEr leven bij ho-instellingen nog veel vragen over de verhouding tussen ISNI, DAI en ORCID. Alle zijn standaarden die zich richten op identificatie van onderzoekers. In het Open Access innovatieproject stimuleert SURFmarket de implementatie van de auteursidentifier ORCID met een pilot project. (https://www.surf.nl/innovatieprojecten/open-access/identifiers-ten-behoeve-van-registratie-van-onderzoek.html)
NL CERIFSURFmarket coördineerde in 2016 een pilot voor het uitwisselen van onderzoeksinformatie met een klein aantal instellingen: euroCRIS, de VSNU en DANS-KNAW. In deze pilot wordt onderzocht of het mogelijk is om tot een standaard datamodel te komen. Dat gebeurt op basis van NL-CERIF, dat door alle instellingen in hun eigen systeem gebruikt kan worden. Het resultaat van de pilot is een advies over het te gebruiken datamodel. Een tweede advies gaat over hoe dit datamodel geïmplementeerd kan worden bij de instellingen en beheerd kan worden op nationaal niveau. Zie https://www.surf.nl/innovatieprojecten/open-access/registreren-en-uitwisselen-van-onderzoeksinformatie.html
NL LOMDe standaard is erg groot. Ervaringen met de standaard leren dat de grootte toepasbaarheid en adoptie in de weg kan staan. Het kan in die gevallen raadzaam zijn de standaard gefaseerd in te voeren. Kijk daarbij naar wat je nodig hebt, niet naar wat ‘moet’. Vertrek bijvoorbeeld vanuit een kritische selectie uit de 15 verplichte velden, en beperk je in eerst instantie tot invoering van een stuk of 3. Door de standaard langzaam in te voeren, gestuurd door vragen vanuit het onderwijs, kunnen docenten (die uiteindelijk de metadatavelden zullen moeten invullen) al snel de voordelen ervaren zonder direct overladen te worden met tientallen in te vullen velden.
NLQTIEdustandaard-afspraak met werkingsgebied ho.

Conformiteit met de standaard is een aandachtspunt. Leveranciers hanteren soms een eigen interpretatie van wat wel of niet conform QTI is. Er is geen gestandaardiseerde conformance test voor NL QTI implementaties.

Integratie is niet altijd de meest geëigende oplossing. Zelfs wanneer een standaard als QTI gebruikt wordt kan het resultaat onbevredigend zijn wanneer verschillende leveranciers bijvoorbeeld andere indelingen of kleurstellingen gebruiken. Een volledige switch van de ene naar de andere applicatie kan dan een goed alternatief zijn.

NLQTI is beperkt gebruikt in VO/MBO maar niet geworden tot 'de nationale standaard'. In het hoger onderwijs wordt het NL-profiel ook wel als te beperkend ervaren.
OAuthHet correct en veilig implementeren van OAuth is vrij veel werk. Het is daarom verstandig een kant-en-klare implementatie te hergebruiken, bijvoorbeeld de door SURFnet ontwikkelde (open source) APIS Authorization Server.
SRU SRWSRU SRW is gebaseerd op REST services, die mogelijk hun langste tijd gehad hebben en vervangen zullen worden door SPARQL endpoints.
UMANu al zorgt SURFconext ervoor dat de instellingen die de identiteiten uitgeven (identity providers) alleen maar met SURFconext hoeven te koppelen, en niet met alle dienstenproviders. Een groot voordeel hiervan is dat de studenten hun wachtwoord niet bij de dienstenaanbieders hoeven te gebruiken. Indien SURFnet en de instellingen kiezen voor het invoeren van een centrale identiteit betekent dit dat de architectuur van SURFconext wordt uitgebreid, en meer taken van de instelling zal overnemen. Een belangrijk verschil zal zijn dat ook de authenticatie plaatsvindt binnen SURFconext, en niet meer binnen de instelling zoals nu het geval is. Er zitten natuurlijk ook nadelen en risico's aan een centrale architectuur. SURFnet zal in 2016 onderzoeken of er voldoende draagvlak is bij de instellingen, wat de mogelijke aanpakken zijn en wat de kosten en juridische consequenties zijn.
Uitwisseling Leerlinggegevens en ResultatenEdustandaard-afspraak, maar niet (langer) met werkingsgebied ho.
XAPIXAPI en Caliper Analytics gaan momenteel redelijk gelijk op als mogelijke standaard voor learning analytics. Leveranciers maken nu vaak de keuze, waardoor het risico bestaat dat er uiteindelijk twee concurrerende standaarden naast elkaar bestaan in het ho-landschap.